welkom op onze site

Op basis van gedragskenmerken

De DSM-code als basis

De meeste diagnoses worden tegenwoordig (nog) steeds op basis van gedragsobservatie verricht.

Een erkend diagnosecentrum zal zich daarbij baseren op de criteria zoals vermeld in de Diagnostic and Statistic Manual of Mental Disorders (DSM IV), waarin onderscheid wordt gemaakt tussen criteria voor de Autistische stoornis (299.00), Syndroom van Rett (299.80), Desintegratiestoornis van de kinderleeftijd (299.10), Syndroom van Asperger (299.80) en PDD-NOS.

[bewerk]

Lees verder...

Diagnosecriteria

Wanneer een team deskundigen op vlak van autisme een aantal tekortkomingen vast stelt, zal zij de diagnose autisme stellen, al dan niet verfijnd.

Een diagnose kan gesteld worden op basis van gedragskenmerken en op basis van genetische kenmerken

Hoe komt men tot een diagnose?

De diagnost

Een goede diagnose begint met een zoektocht naar een goed diagnost of diagnosecentrum. Deze hebben, meer dan andere personen in de psychische hulpverlening, kennis van wat autisme exact inhoudt.

Mogelijke diagnosecentra, in België, zijn een revalidatiecentrum, Centrum voor Ontwikkelingsstoornissen, Psychiatrisch Centrum, Centrum voor Geestelijke gezondheidszorg, Psychiatrische Afdeling van een Algemeen Ziekenhuis (PAAZ), Consultatiebureau voor Personen met een Handicap en Consultatiebureau Kind en Gezin.

In Nederland kan men terecht bij de RIAGG of bij een Autismecentrum in de regio (zoals bijvoorbeeld het Leo Kannerhuis).

Een goede (individuele) diagnost doet ook beroep op andere disciplines dan de zijne (bv een logopedist voor communicatieonderzoek), vraagt informatie over de ontwikkeling van de te diagnoseren cliënt aan diens omgeving (ouders, partner, broers/zussen, uiteraard met diens instemming), observeert grondig en houdt het niet bij een paar snelle blikken, doet de uitspraak na meerdere consultaties & onderzoeken, en heeft ook ervaring met volwassenen met en zonder verstandelijke beperking.

De diagnost en het diagnosecentrum herkennen al dan niet de 'autistische triade', oftewel het samen voorkomen van de drie probleemgebieden die te maken hebben met autisme (omgang met anderen, communicatie en verbeelding).

Het is vaak niet gemakkelijk autisme te herkennen ongeacht de ontwikkelingsleeftijd omdat autisme vooral te diagnoseren is op basis van gegevens over de ontwikkeling tijdens de eerste drie levensjaren. Steeds vaker wordt de diagnose pas later gesteld, waardoor de diagnost het onderscheid moet maken met mogelijke andere stoornissen, camouflage/compensatie en co-morbide stoornissen. In drie op vier keren kan autisme immers samengaan met een verstandelijke beperking. Daardoor is ondermeer het cliché ontstaan dat autistische personen ook verstandelijk beperkt zijn.

Hoewel alle mensen met autisme op deze drie gebieden moeilijkheden ondervinden, uit autisme zich telkens weer heel verschillend. Het is vaak moeilijk bij de diagnose een specifieke stoornis (autistische stoornis, stoornis van Asperger) toe te kennen. Vaak wordt PDD-NOS als tijdelijke diagnose gebruikt. Voor de verwerking en behandeling volstaat in plaats van een diagnose de benadering autismespectrumstoornis, die dan ook meer en meer gebruikt wordt.

[bewerk]

Het diagnostisch instrumentarium

Hoewel diagnostische instrumenten zoals gedragsvragenlijsten en observatieschalen de betrouwbaarheid verhogen, blijft de juiste diagnose sterk afhankelijk van de klinische ervaring en intuïtie van de diagnosticus in het herkennen van een bepaald gedragspatroon. Met andere woorden, er is nog steeds een aanzienlijk subjectief element in de diagnostiek.

Vooraleer tot de diagnose kan worden gekomen is medische beeldvorming (SPECT-scan, MRI-scan, ...) en gedragsanalyse nodig maar eveneens een uitvoerig bevragen van de ouders of andere betrokkenen (partner, omgeving) over het huidig en vroeger functioneren van de persoon. Er moet voldoende tijd genomen worden om het gedrag uitgebreid te observeren in verschillende contexten en situaties. Het is belangrijk naar de volledige triade van stoornissen te kijken, en zich niet te beperken tot een deel ervan, zoals de communicatie of stereotiep gedrag. De diagnose dient multidisciplinair te gebeuren, niet enkel door een psychiater.

Eerst en vooral wordt de ontwikkelingsgeschiedenis van de persoon in kaart gebracht, in een gesprek met hem en zijn nabije omgeving (partner, ouders, vertrouwenspersoon). oor observatie in de vertrouwde omgeving en/of in een ander milieu, en een psychiatrisch onderzoek kan de diagnose gesteld worden. Andere mogelijke onderzoeken zijn een neurologisch onderzoek, een psychologisch onderzoek van de cognitieve mogelijkheden, en het opmaken van een psychologisch educatief profiel (PEP).

Bij een diagnose kijkt de deskundige vooral naar de sociale context, de medische voorgeschiedenis, taalontwikkeling, stereotiep gedrag/interesses/handelingen, cognitief functioneren, neuropsychologische gezondheid, motorische vaardigheden, zelfredzaamheid en psychisch en sociaal-emotioneel functioneren.

Diagnose

Waarom een diagnose?

Een diagnose kan de basis vormen voor, meestal in die volgorde, verwerking, ondersteuning en leren.

Lees verder...

Autistische kenmerken

Gedrag

  • Mensen met autisme hebben afwijkend gedrag waarbij sommige mensen op sociaal vlak heel actief zijn, anderen vrij passief en nog andere contact weren, hoewel de contactname vaak stroef, bizar of vreemd overkomt voor buitenstaanders.
  • Hun verbale en non-verbale beperkingen (letterlijk opvatten, afwijkende en/of beperkte lichaamstaal en mimiek) en afwijkingen in de prikkelverwerking leiden tot heel divers autistisch gedrag. Het stroef gedrag kan deels ook extremer worden door afwijkende motoriek (houterigheid).
  • Sommige mensen met autisme praten niet, anderen zijn net vlotte praters en beschikken over een uitgebreide woordenschat. Toch is de communicatie vaak oppervlakkig, repetitief en weinig wederzijds. Soms is er sprake van overprikkeling (overgevoeligheid), soms ongevoeligheid, soms zijn reacties op prikkels uitgesteld in tijd & ruimte (later of vroeger dan verwacht).
  • Dit afwijkend gedrag kan zich ook uiten in een beperkt repertoire van bezigheden (met mogelijks stereotype lichaamsbewegingen en vormen van dwangmatigheid). Bij mensen met een normale of hogere begaafdheid zal dit zich uiten in minder zichtbare mentale rituelen en moeilijker aanpassen aan nieuwe situaties (met bv. onlogisch gedrag of slecht humeur als gevolg). Minder begaafde mensen zullen sneller tot zelfverwonding of agressie overgaan.
Lees verder...

Wat is autisme ?

Stoornis

Autisme is een stoornis in de zin dat mensen met autisme beperkingen hebben die elkaar beïnvloeden, in verband met de sleutelvaardigheden om te overleven in onze samenleving, zijnde sociaal begrijpen en sociale interacties en verbale en niet-verbale communicatie. Hun ontwikkeling is hierdoor niet alleen vertraagd maar vooral anders(soortig). Het effect van deze beperkingen is geen optelsom maar een vermenigvuldiging.

Autisme is een ontwikkelingsstoornis die het hele functioneren (=pervasief) van mensen beïnvloedt, en is gekenmerkt door afwijkingen in de triade communicatie - verbeelding, socialisatie. Autisme is dus niet enkel het in zichzelf gekeerd zijn en een vertraagde ontwikkeling, maar in essentie een andere ontwikkeling.

Per individu kan autisme sterk verschillen, afhankelijk van de ontwikkelingsleeftijd, van het karakter van de persoon en van omgevingsfactoren. Autistische personen kunnen zich totaal anders gedragen aan de buitenkant, maar hebben wel eenzelfde manier van informatie verwerken aan de binnenkant.

Lees verder...

Historisch overzicht

Autisme komt van het Griekse “autós” of ‘zelf’ en van het Duitse Autismus, gevormd door de Zwitserse psychiater Eugen Bleuler (1857-1939), voor schizofrene patiënten die moeite hadden met andere mensen in contact te treden. Voorheen werden mensen met autisme benoemd als ‘eenzelvig’ of ‘psychotisch’.

In 1943 beschrijft de Amerikaanse kinderpsychiater Leo Kanner het infantiel of vroegkinderlijk autisme. Hans Asperger, een Oostenrijks psychiater, ziet in hetzelfde jaar als Kanner een hoger functionerende vorm van autisme, die nu bekend staat als het Syndroom van Asperger.

Binnen het autisme is er sinds de jaren zestig sprake van een autisme-spectrum met een glijdende schaal (continuüm) naargelang de ernst van de stoornis en de sociale gerichtheid en betrokkenheid op de ander (Lorna Wing).

In de DSM III e.v. (1980-) wordt de categorie pervasieve ontwikkelingsstoornissen opgenomen. Als reactie daarop ontstaat de behoefte aan meer variatie in de groep ziektebeelden om een beter antwoord op maat te vinden. Onder andere McDD, en de aandacht voor angst, sociale gevoeligheid en bizarre fantasieën en aanverwante stoornissen komen daaruit voort.

Pas in 1989, met het enorme succes van de film Rain Man, komt er meer aandacht voor de diagnose en erkenning van volwassenen (met normale begaafdheid). Voorheen kregen vooral kinderen (met een verstandelijke handicap) de diagnose.